ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting Duitse rente op WAZ-uitkering bij samenloop van uitkeringen
Appellant ontving een WAZ-uitkering en vroeg daarnaast een Duitse rente aan op basis van werkzaamheden in Duitsland. Na aanvankelijke afwijzing werd de Duitse rente alsnog toegekend met terugwerkende kracht vanaf 1 november 1998. Het UWV bracht deze Duitse rente vanaf 1 juni 2001 in mindering op de WAZ-uitkering wegens samenloop van uitkeringen.
Appellant stelde dat het UWV het recht had verspeeld deze rente in mindering te brengen, onder meer omdat het UWV had berust in de afwijzing van de Duitse rente en de beslistermijn voor bezwaar was overschreden. Ook voerde appellant aan dat de Duitse rente een werknemersuitkering is die niet op een zelfstandigenuitkering mag worden gekort en dat mogelijk EU-verordening 1408/71 van toepassing is.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de Duitse rente in mindering bracht, omdat de rente betrekking had op dezelfde arbeidsongeschiktheid en samenloop over hetzelfde tijdvak bestond. Het feit dat het UWV had berust in de afwijzing deed hieraan niet af, omdat alleen appellant bezwaar kon maken tegen die afwijzing. De Raad vond ook dat de EU-verordening geen gunstiger resultaat zou opleveren. De overschrijding van de beslistermijn en de inhouding van ziekenfondspremie konden niet leiden tot het achterwege laten van de korting.
De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de Duitse rente in mindering heeft gebracht op de WAZ-uitkering van appellant.