ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2040
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herzieningsbesluiten WAO-uitkering wegens onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering
Appellant, werkzaam als huismeester, meldde zich in november 1999 ziek met rugklachten en ontving een WAO-uitkering vanaf november 2000 met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%. In het kader van de eerstejaars herbeoordeling werd appellant in maart 2002 onderzocht, waarbij werd aangenomen dat hij toen nog gedeeltelijk werkte. Het UWV handhaafde het arbeidsongeschiktheidspercentage bij het primaire besluit van juni 2002 en het daaropvolgende bezwaarbesluit van januari 2003.
Appellant voerde aan dat zijn lichamelijke en psychische klachten waren toegenomen, mede door het overlijden van zijn echtgenote, en overhandigde medische rapporten ter onderbouwing. Verdere onderzoeken in 2003 gaven aanleiding tot een herbeoordeling waarbij het UWV de WAO-uitkering per 30 september 2003 introk. Appellant ging hiertegen in bezwaar en beroep, waarbij medische en arbeidskundige rapporten werden overgelegd.
De rechtbank onderschreef de medische en arbeidskundige grondslagen van de besluiten, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de gevolgen van het overlijden van de echtgenote en dat de motivering van de besluiten onvoldoende was, mede vanwege het ontbreken van een arbeidskundig onderzoek bij het eerste besluit. De Raad vernietigde de besluiten en het vonnis van de rechtbank en beval het UWV tot nieuwe besluiten op bezwaar, met vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De besluiten tot herziening en intrekking van de WAO-uitkering worden vernietigd en het UWV wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen.