ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2035
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering schattingsbesluit
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om aan een werkneemster een WAO-uitkering toe te kennen met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Zij stelde dat het UWV onvoldoende reïntegratie-inspanningen had verricht, met name op het gebied van tweede spoor reïntegratie, en dat bij tijdige reïntegratie toekenning van de WAO-uitkering niet aan de orde was geweest.
De rechtbank Maastricht verwierp het bezwaar en oordeelde dat de tweede spoor reïntegratie niet relevant was voor de WAO-beoordeling en dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid juist had vastgesteld. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel over de reïntegratie, maar stelde dat het schattingsbesluit van het UWV onvoldoende gemotiveerd was. De gebruikte methodiek (CBBS) is aanvaardbaar, maar vereist een hoge mate van transparantie en motivering, die in dit geval ontbrak.
De Raad constateerde dat de arbeidsdeskundige onvoldoende had onderbouwd waarom onvoldoende passende functies konden worden geselecteerd en dat de bezwaararbeidsdeskundige dit oordeel onvoldoende had gemotiveerd. Ook de medische rapportage toonde geen ernstige pathologie aan die dit zou rechtvaardigen. Daarom werd het besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen met voldoende motivering. Tevens werden de proceskosten aan appellante toegekend.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot toekenning van een WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.