ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1964
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontzegging WW-uitkering wegens onvoldoende opzegtermijn werkgever
Appellante was sinds 1985 in dienst bij de Coöperatieve Rabobank Schagen en omstreken U.A. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 maart 2003 met een vergoeding van €30.000,-- toegekend door de kantonrechter. Het Uwv weigerde een WW-uitkering tot 1 april 2003 omdat de opzegtermijn van twee maanden in de arbeidsovereenkomst niet voldeed aan de wettelijke opzegtermijn van vier maanden voor de werkgever.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat de opzegtermijn in strijd was met artikel 7:672 BW Pro, en dat een verkorting alleen bij CAO of publiekrechtelijke regeling mogelijk is, wat niet was aangetoond. Appellante stelde in hoger beroep dat de CAO Rabobank de opzegtermijn voor de werkgever bekort en dat deze rechtsgeldig was.
De Raad oordeelde dat de arbeidsovereenkomst primair verwijst naar de wettelijke opzegtermijn, die voor de werkgever vier maanden bedraagt. Het beding van minimaal twee maanden geldt alleen als de wettelijke termijn korter is, wat hier niet het geval is. De CAO bevat geen geldige verkorting van de wettelijke termijn. Daarom is de ontzegging van de WW-uitkering tot 1 april 2003 terecht. De Raad bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De ontzegging van de WW-uitkering tot 1 april 2003 wordt bevestigd wegens niet-naleving van de wettelijke opzegtermijn door de werkgever.