ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag
Appellante was sinds 1997 in dienst als schoonheidsspecialiste en werd per 1 april 2004 ontslagen na herhaaldelijk niet voldoen aan ziekteverzuimvoorschriften en andere huisregels. Het UWV weigerde haar WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid, omdat zij redelijkerwijs had kunnen voorzien dat haar gedrag tot ontslag zou leiden.
De rechtbank Arnhem verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de werkgever, Arbo-dienst en verzekeringsarts de arbeidsmogelijkheden van appellante juist hadden ingeschat en dat er geen duidelijke contra-indicatie was voor volledige werkhervatting per 8 december 2003.
Verder was het niet-hervatten niet de enige reden voor ontslag; overtredingen van huisregels en voorschriften speelden ook een rol. De stelling dat er geen actie was tegen pestgedrag werd niet onderbouwd. De Raad vond dat appellante haar gedrag in overwegende mate kon worden verweten en bevestigde daarom de weigering van de WW-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.