ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1814

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5964 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:75 AwbArt. 9 WWBArt. 17 WWB
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake griffierecht en proceskosten in WWB-zaak

Het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noordwest Fryslân (appellant) stuurde een brief aan betrokkene met informatie over sociale activering en de daaraan verbonden verplichtingen volgens de WWB. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze brief, maar dit bezwaar werd door appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tegen een besluit in de zin van de Awb was gericht.

De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, maar veroordeelde appellant tot betaling van het door betrokkene betaalde griffierecht en de proceskosten, omdat appellant ten onrechte in de brief had vermeld dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt.

In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank onjuist had gehandeld door gebruik te maken van haar bevoegdheden op grond van de Awb, aangezien het bezwaarbesluit van 27 april 2005 rechtmatig was en het juiste rechtsmiddel was vermeld. De Raad oordeelde dat het onjuiste vermelden van het rechtsmiddel in de brief niet relevant was voor de beoordeling van het beroep en vernietigde de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

De Raad besloot dat appellant noch het griffierecht noch de proceskosten aan betrokkene hoeft te betalen en dat er geen aanleiding is voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat appellant geen griffierecht of proceskosten aan betrokkene hoeft te betalen.

Uitspraak

05/5964 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noordwest Fryslân (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 augustus 2005, 05/736 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
appellant
Datum uitspraak: 7 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Snoekstra, werkzaam bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noordwest Fryslân. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij brief van 6 januari 2005 heeft appellant aan betrokkene, die een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) ontvangt, medegedeeld dat door een maatschappelijk werkster gesprekken met haar zullen worden gevoerd in het kader van haar sociale activering. In een bijlage bij die brief zijn de verplichtingen opgenomen waaraan betrokkene overigens dient te voldoen, te weten de verplichtingen neergelegd in de artikelen 9, eerste lid, en 17, eerste lid, van de WWB.
Bij besluit van 27 april 2005 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de brief van 6 januari 2005 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 april 2005 ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank appellant veroordeeld tot betaling van het door betrokkene in beroep betaalde griffierecht en van de proceskosten van betrokkene in beroep. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant ten onrechte in de brief van 6 januari 2005 heeft vermeld dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de beslissingen van de rechtbank inzake het griffierecht en de proceskosten gekeerd.
De Raad is met appellant van oordeel dat de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de in de artikelen 8:74, tweede lid, en 8:75 van de Awb aan haar toegekende bevoegdheden. Het in beroep ter toetsing voorliggende besluit (op bezwaar) van 27 april 2005 is immers rechtmatig en appellant heeft daarbij het juiste rechtsmiddel vermeld. Het gegeven dat bij de brief van 6 januari 2005 ten onrechte een rechtsmiddel is vermeld, is in het kader van het beroep niet van belang.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd.
Ter voorlichting van betrokkene merkt de Raad nog op dat dit betekent dat appellant noch het bedrag van € 37,-- aan griffierecht noch het bedrag van € 644,-- aan proceskosten aan haar hoeft te betalen.
Voor een veroordeling in de proceskosten is, ook overigens, geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 november 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) A. Palmboom.
GG251006