ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1714
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering ondanks in stand laten rechtsgevolgen
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 17 december 2003 in te trekken op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep stelde appellante dat zij medisch ongeschikt was voor arbeid en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten. De Raad stelde vast dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief een lichamelijk onderzoek en informatie van de huisarts.
De Raad beoordeelde ook het arbeidskundige aspect van de schatting met het CBBS-systeem. Hoewel dit systeem onvolkomenheden kent, was in hoger beroep aanvullende onderbouwing geleverd door de bezwaararbeidsdeskundige, die per functie motiveerde waarom appellante geschikt was. Hierdoor achtte de Raad de motivering toereikend en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand volgens artikel 8:72 lid 3 Awb Pro.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellante en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige motivering bij CBBS-toepassing en dat vernietiging van besluiten kan samengaan met in stand laten van rechtsgevolgen als de onderbouwing alsnog toereikend is.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.