ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1522
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R. Kooper
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bindingspremie wegens niet-voortdurende feitelijke werkzaamheid bij Koninklijke Landmacht
Appellant, sinds 1980 werkzaam bij de Koninklijke Landmacht als controller, kreeg een bindingspremie toegekend voor de periode van 1 juni 2001 tot 1 juni 2004. Hij ontving een voorschot voor de eerste helft van deze periode. Op zijn verzoek werd hem vanaf 28 oktober 2002 buitengewoon verlof zonder behoud van militaire inkomsten verleend, waarna hij werkzaam bleef bij het Ministerie van Justitie.
De Commandant Landstrijdkrachten besloot op 27 november 2003 dat appellant het genoten voorschot moest terugbetalen omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden waaronder de premie was toegekend. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat artikel 4 van Pro de Inkomstenregeling Militairen (IRM) geen terugvordering toestaat zolang hij formeel zijn functie behield, en dat hij onterecht niet werd ontheven van de terugbetalingsplicht op grond van een organisatiebelang. De Raad oordeelde dat de voorwaarde van voortdurende feitelijke werkzaamheid binnen het functiegebied moet worden gelezen en dat formele functieverblijven onvoldoende is.
Ook het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat appellant geen bijzondere omstandigheden aannemelijk maakte. De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat de Commandant redelijk handelde. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het genoten voorschot op de bindingspremie wegens het niet voortzetten van feitelijke werkzaamheden binnen het functiegebied.