ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1453

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-298 ZFW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 ZfwArt. 15 Verstrekkingenbesluit ZiekenfondsverzekeringArt. 2 Regeling Hulpmiddelen 1996Art. 26 Regeling Hulpmiddelen 1996
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanspraak op verstrekking van een daisyspeler wegens niet voldoen aan indicatievoorwaarden

Appellante heeft via haar huisarts een aanvraag ingediend voor de verstrekking van een daisyspeler, bedoeld voor communicatie en informatievoorziening voor bepaalde gehandicapten. De zorgverzekeraar DSW wees deze aanvraag af omdat appellante niet viel onder de groepen die volgens de Regeling Hulpmiddelen 1996 aanspraak kunnen maken op deze voorziening. De Commissie Verstrekkingengeschillen van het College voor Zorgverzekeringen onderschreef deze afwijzing.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep heeft appellante deze uitspraak bestreden, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Ziekenfondswet en de daarop gebaseerde regelingen een gesloten systeem vormen waarin alleen aanspraak bestaat op verstrekkingen die uitdrukkelijk zijn genoemd.

De Raad stelde vast dat de Regeling Hulpmiddelen 1996 een limitatieve opsomming geeft van hulpmiddelen en de groepen die hiervoor in aanmerking komen, waaronder visueel gehandicapten, dyslectici en motorisch gehandicapten. Appellante voldeed niet aan deze criteria, omdat haar klachten niet wezen op een visuele of motorische handicap of dyslexie zoals wettelijk gedefinieerd.

Daarom werd de afwijzing van de aanvraag door DSW bevestigd en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. De Raad zag geen aanleiding om appellante te veroordelen in de proceskosten.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een daisyspeler wordt bevestigd omdat appellante niet tot de in de Regeling genoemde groepen behoort.

Uitspraak

05/298 ZFW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 december 2004, 04/2071 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar DSW, (hierna: DSW)
Datum uitspraak: 1 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft J.Th. Haeseker-Rosendahl hoger beroep ingesteld.
DSW heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2006. Appellante is niet verschenen. DSW heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C. de Waard.
II. OVERWEGINGEN
Namens appellante heeft huisarts N.A.A. van Oosterom een aanvraag ingediend voor de verstrekking van een daisyspeler.
DSW heeft die aanvraag bij besluit van 29 september 2003 afgewezen.
De Commissie Verstrekkingengeschillen van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) heeft bij brief van 30 maart 2004 aangegeven zich met deze afwijzing te kunnen verenigen.
DSW heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 september 2003 bij besluit van 6 april 2004 ongegrond verklaard. DSW stelt zich op het standpunt dat de klachten van appellante niet vallen onder de in de destijds geldende Regeling Hulpmiddelen 1996 (hierna: Regeling) genoemde indicatievoorwaarden.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 6 april 2004 ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is in geschil of appellante op grond van het bepaalde bij of krachtens de Ziekenfondswet aanspraak heeft op verstrekking van een daisyspeler.
Op grond van artikel 8, eerste lid, van de ten tijde hier in geding toepasselijke Ziekenfondswet (hierna: Zfw) hebben verzekerden aanspraak op verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging, voor zover met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Zfw kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat aanspraak bestaat op andere vormen van zorg dan de zorg, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Zfw. Artikel 8, derde lid, van de Zfw bepaalt dat de inhoud en omvang van de aanspraken bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het ten tijde hier in geding toepasselijke Verstrekkingenbesluit Ziekenfondsverzekering (hierna: Verstrekkingenbesluit) omvat de aanspraak op hulpmiddelen die middelen welke in de Regeling als zodanig zijn aangewezen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder t, van de Regeling omvat de aanspraak op hulpmiddelen de verschaffing van een te allen tijde adequaat functionerend hulpmiddel voor communicatie, informatievoorziening en signalering als aangegeven in artikel 26 van Pro de Regeling.
Volgens artikel 26, eerste lid, onder g, onder 2, van de Regeling zijn de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder t, van de Regeling bedoelde middelen: opname- en voorleesapparatuur voor gehandicapten: daisyspelers of daisyprogrammatuur voor visueel gehandicapten, dyslectici en motorisch gehandicapten.
Volgens vaste rechtspraak - zie onder meer de uitspraak van de Raad van 26 april 2000, (LJN: AE9287) - behelzen de Zfw en de daarop berustende regelingen een gesloten systeem van de ten laste van de in deze wet geregelde verzekering komende verstrekkingen, in die zin dat in beginsel op geen andere verstrekkingen aanspraak bestaat dan in deze regelgeving is bepaald. Ten aanzien van hulpmiddelen stelt de Raad verder vast dat aan dit gesloten systeem vorm en inhoud is gegeven door het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit en de daarop berustende Regeling, waarin een limitatieve en nauw omschreven opsomming van hulpmiddelen is gegeven en de gevallen waarin daarop - al dan niet - aanspraak bestaat. Voorts vloeit uit de vaste jurisprudentie van de Raad - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 oktober 2000 (LJN: AA9346) - voort dat in de aard van een dergelijk enumeratief en limitatief systeem van aanspraken besloten ligt dat er in beginsel geen ruimte is voor een extensieve interpretatie van de daarin geregelde aanspraken en gevallen.
Gelet op de thans ter beschikking staande gegevens is de Raad tot het oordeel gekomen dat DSW bij het besluit van 6 april 2004 terecht de afwijzing van de aanvraag van appellante heeft gehandhaafd. Appellante behoort niet tot een van de in artikel 26, eerste lid, onder g, onder 2, van de Regeling genoemde groepen van belanghebbenden.
De door appellante en haar huisarts omschreven klachten duiden niet op een visuele handicap, een motorische handicap of dyslexie, welk laatstgenoemd begrip gezien de door de Gezondheidsraad in 1995 gegeven definitie inhoudt dat de automatisering van woordidentificatie (lezen) en/of schriftbeeldvorming (spellen) zich niet, dan wel zeer onvolledig of zeer moeizaam ontwikkelt.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft als voorzitter en R.M. van Male en G.M.T. Berkel-Kikkert als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 november 2006.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) M. Renden.
EK2610