ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging korting WW-uitkering wegens verminderd verwijtbare werkloosheid
Appellante had een WW-uitkering aangevraagd die door het UWV werd toegekend met een korting van 35% wegens vermeende verminderd verwijtbare werkloosheid. Het UWV stelde dat appellante verwijtbaar had gehandeld door niet te reageren op oproepen van de bedrijfsarts en het niet hervatten van werkzaamheden, wat zou leiden tot het ontslag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en onderschreef het standpunt van het UWV. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat zij vanwege psychische klachten niet in staat was om naar de bedrijfsarts te gaan, maar wel telefonisch contact had onderhouden. De werkgever nam het standpunt in dat appellante niet verwijtbaar werkloos was.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende had aangetoond dat appellante verwijtbaar had gehandeld. De bedrijfsarts had niet bevestigd dat appellante zonder bericht was weggebleven en de ziekteverzuimbegeleiding was niet adequaat gevolgd. Daarom was er geen grond voor de korting op de uitkering.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het bezwaar gegrond en herroept het besluit tot korting. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot korting op de WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het bezwaar van appellante wordt gegrond verklaard.