ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos door kopstoot aan leidinggevende
Appellant was sinds december 1999 in dienst als servicemonteur bij zijn werkgever. Op 7 december 2004 ontstond een conflict met zijn directeur over een vergeten afspraak, dat uitmondde in een verhitte discussie waarbij appellant de directeur een kopstoot gaf. De directeur deed aangifte en onderging medische behandeling.
De werkgever ontsloeg appellant per direct en vroeg ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welke per 1 februari 2005 werd uitgesproken. Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door zijn gedragingen jegens de leidinggevende.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde vast dat appellant de kopstoot had gegeven en dat dit verwijtbaar was. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel, oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden en wees het beroep af. De Raad zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden door het geven van een kopstoot aan de leidinggevende.