ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering na onjuiste beëindiging en toekenning schadevergoeding
Appellant viel uit wegens schouderklachten en kreeg een WAO-uitkering van 80-100%. Na onderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was, waarna de uitkering werd ingetrokken per 17 maart 2003. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze beslissing, stellende dat de functies te zwaar waren en hij deze niet fulltime kon uitvoeren. In hoger beroep bracht appellant ook psychische problemen naar voren.
De Raad concludeerde dat het latere besluit van het UWV, waarin de uitkering werd herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 35-45%, in de beoordeling moest worden betrokken. Dit besluit verving het eerdere besluit tot intrekking van de uitkering. De Raad oordeelde dat het eerdere besluit onrechtmatig was en dat appellant recht had op schadevergoeding over de periode waarin de uitkering ten onrechte was beëindigd.
De medische en arbeidskundige rapporten van de verzekeringsartsen werden als zorgvuldig en juist beoordeeld. De psychische problemen van appellant waren op het moment van het bestreden besluit nog niet aanwezig. Daarom werd het latere besluit tot herziening van de WAO-uitkering gehandhaafd en het beroep daartegen ongegrond verklaard.
Tenslotte veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep tegen het eerste besluit gegrond verklaard.
Uitkomst: Het eerdere besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en schadevergoeding toegekend, terwijl het latere besluit tot herziening van de uitkering wordt gehandhaafd.