ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens behoud rechtsgevolgen
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 30 maart 2003 in te trekken wegens het ontbreken van verlies aan verdiencapaciteit. Dit besluit was gebaseerd op medische beoordelingen en een arbeidskundige analyse met het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).
De rechtbank had het UWV in het gelijk gesteld, maar appellante voerde in hoger beroep aan dat haar fysieke en psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep heeft de medische rapporten en de expertise van de zenuwarts bestudeerd en oordeelde dat de klachten van appellante wel degelijk waren betrokken bij de beoordeling.
Hoewel het CBBS-systeem in beginsel aanvaardbaar is, stelde de Raad hoge eisen aan de motivering van besluiten die vóór 1 juli 2005 zijn genomen. In deze zaak bleek dat tijdens de procedure aanvullende onderbouwing was geleverd, waardoor het bestreden besluit alsnog voldoende gemotiveerd was.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand conform artikel 8:72, derde lid, Awb. Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.