ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in bijstandszaak
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake de intrekking en terugvordering van bijstand over een bepaalde periode. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelharnis had de bijstand ingetrokken wegens beschikbare middelen boven de vermogensgrens en de kosten teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een besluit niet-ontvankelijk, vernietigde het beroep tegen het bezwaarbesluit wegens onjuiste bevoegdheidsgrondslag, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De schadevergoedingskwestie werd buiten beschouwing gelaten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep zich niet richtte tegen de intrekking en terugvordering zelf, noch tegen de schadevergoeding gerelateerd aan een besluit uit 1994. De Raad stelde vast dat appellant herhaaldelijk procedures startte om een kansloze schadevergoedingskwestie aan te snijden, wat kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht opleverde.
Op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht veroordeelde de Raad appellant tot vergoeding van de proceskosten van het College, begroot op € 21,16. De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees het beroep verder af.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht en het hoger beroep wordt afgewezen.