ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 1 november 2002
Appellante, voormalig huishoudelijk medewerkster, stopte haar werkzaamheden op 3 november 2001 vanwege klachten zoals zware hoofdpijn, misselijkheid en duizeligheid. Na een medisch onderzoek door verzekeringsarts Noorduin en een arbeidsdeskundige werd geconcludeerd dat zij onvoldoende arbeidsongeschikt was om een WAO-uitkering te ontvangen.
Het UWV weigerde daarom op 15 november 2002 een WAO-uitkering toe te kennen, een besluit dat na bezwaar op 25 april 2003 werd gehandhaafd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar diverse klachten en medische aandoeningen, waaronder een bindweefselziekte en problemen met haar rechterpols en linkerarm.
De Raad overwoog dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij geen recente fractuur werd vastgesteld en de klachten niet zwaarder waren dan eerder beoordeeld. Ook de arbeidskundige beoordeling werd niet onjuist bevonden. De Raad oordeelde dat onvoldoende onderbouwing was geleverd voor zwaardere beperkingen per 1 november 2002 en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om appellante geen WAO-uitkering toe te kennen per 1 november 2002 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.