ECLI:NL:CRVB:2006:AY9938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Weigering en terugvordering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar per 7 april 2003 geen WAO-uitkering toe te kennen en de reeds betaalde voorschotten terug te vorderen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts juist was en dat appellante geen nieuwe medische informatie had aangeleverd die tot een ander oordeel zou leiden.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze bevindingen. De medische rapportages, waaronder een second opinion met laparoscopie en MRI-onderzoek, bevestigen een redelijke eindtoestand en een belastbaarheid conform de Functionele Mogelijkheden Lijst. Ook de arbeidskundige beoordeling dat appellante voldoende passende functies zijn voorgehouden, wordt door de Raad niet betwist.
Daarnaast oordeelt de Raad dat appellante geen aanspraak kon maken op een Ziektewetuitkering per 7 april 2003, omdat zij de maximale termijn van 52 weken ziekengeld had ontvangen. De Raad constateert een schending van de goede procesorde doordat de uitspraak van de rechtbank werd ondertekend door een andere raadsheer dan die de zaak behandelde en vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep wordt echter alsnog ongegrond verklaard, waarmee het besluit van het UWV wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de weigering van WAO-uitkering en terugvordering is ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bekrachtigd.