ECLI:NL:CRVB:2006:AY9896
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep van appellant tegen de rechtbank ’s-Gravenhage die had geoordeeld dat het UWV terecht de WAO-uitkering had geweigerd omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was per 18 oktober 1999.
Appellant voerde aan dat ernstige vermoeidheidsklachten, mogelijk veroorzaakt door Hepatitis C, tot arbeidsongeschiktheid leidden. Ook stelde hij dat de door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijke deskundige vooringenomen was en zich kwetsend had opgesteld. De Raad overwoog dat arbeidsongeschiktheid alleen kan worden vastgesteld op basis van objectieve medische maatstaven en dat appellant geen nieuwe medische verklaringen had ingebracht.
De Raad onderschreef het oordeel van de deskundige internist Erwteman, die zijn beoordeling baseerde op laboratoriumonderzoek en medische rapporten van behandelend artsen. Klachten als vermoeidheid werden niet voldoende geacht om de arbeidsongeschiktheid te verhogen. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het deskundigenoordeel en wees de grieven van appellant af.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door J. Brand en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen WAO-uitkering ontvangt wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid per 18 oktober 1999.