ECLI:NL:CRVB:2006:AY9571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling nieuw feit en herziening WAO-uitkeringsbesluit wegens verhoogd afbreukrisico
Appellante werd in 1994 wegens rug- en heupklachten arbeidsongeschikt verklaard, maar het UWV weigerde haar een WAO-uitkering toe te kennen met een besluit van 9 mei 1995. Na diverse procedures werd vastgesteld dat het aspect 'verhoogd afbreukrisico', genoemd door psychiater Groot, een nieuw feit was in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op basis hiervan verzocht appellante het UWV om herziening van het oorspronkelijke besluit. Het UWV wees dit verzoek af, waarna de rechtbank Breda dit afwijzingsbesluit vernietigde en oordeelde dat het UWV het verzoek opnieuw moest beoordelen. Het UWV handhaafde daarop het oorspronkelijke besluit, waarna het beroep van appellante werd behandeld door de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat het UWV conform de uitspraak van de rechtbank had gehandeld door het aspect 'verhoogd afbreukrisico' als nieuw feit te erkennen en dit mee te nemen in de beoordeling. De geselecteerde functies bleken passend voor appellante, zodat het UWV redelijkerwijs tot het bestreden besluit kon komen. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond.
De uitspraak benadrukt dat herziening op grond van nieuwe feiten niet kan leiden tot een volledige toetsing alsof het om een oorspronkelijk besluit gaat, maar binnen de grenzen van de nieuwe feiten moet blijven. Het onderzoek ter zitting vond plaats op 23 augustus 2006, en de uitspraak werd gedaan op 4 oktober 2006.
Uitkomst: Het beroep tegen het herzieningsbesluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.