ECLI:NL:CRVB:2006:AY9205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Brand
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering ondanks gebrekkige motivering besluit
Betrokkene, een mantelzorgster met knieklachten, kreeg per 8 juli 2003 geen WAO-uitkering toegekend door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Bij besluit van 18 november 2004 werd dit besluit, inclusief de terugvordering van een voorschot, gehandhaafd ondanks bezwaar. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende motivering, met name omdat de beperkingen van betrokkene niet correct waren opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
In hoger beroep stelde appellant dat de beperkingen wel in de FML onder statische houdingen bij zitten moesten worden vermeld, maar de Raad oordeelde dat deze beperkingen op geen enkele wijze in de FML waren opgenomen, waardoor het besluit gebrekkig was gemotiveerd. Desondanks liet de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat betrokkene volgens een bezwaararbeidsdeskundige de haar voorgehouden functies met haar beperkingen kon vervullen, waardoor zij geen recht had op WAO.
De Raad wees betrokkene's argumenten af dat zij de functies niet kon vervullen vanwege te lang achtereen zitten. De functies voldeden aan de voorwaarden dat betrokkene van houding kon wisselen en haar knie niet te zwaar belast werd. De Raad veroordeelde appellant tot betaling van proceskosten en bevestigde het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd ondanks gebrekkige motivering, en de rechtsgevolgen blijven in stand.