ECLI:NL:CRVB:2006:AY8829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na WAO-afwijzing wegens geschiktheid voor gangbare arbeid
Appellante werd per 3 september 2001 een WAO-uitkering geweigerd omdat zij geschikt werd geacht voor gangbare arbeid, waaronder functies als printplatenmonteur en naaister. Zij ontving sindsdien een WW-uitkering. Op 20 februari 2002 meldde zij zich ziek met diverse klachten. Verzekeringsartsen verklaarden haar per 1 juli 2002 hersteld, waarna het UWV haar geen ziekengeld meer toekende. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV informatie van haar behandelend revalidatie-instelling had moeten opvragen en dat medische onderzoeken na haar ziekmelding van augustus 2002 betrokken hadden moeten worden. De Raad overwoog dat onder arbeid in de Ziektewet de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid wordt verstaan, tenzij de verzekerde na het ontvangen van ziekengeld blijvend ongeschikt is voor het oude werk en niet is hervat, dan geldt de WAO-beoordeling. Appellante werd geacht geschikt voor ten minste één van de WAO-functies, waardoor geen recht op ziekengeld bestond.
De Raad constateerde een motiveringsgebrek in het UWV-besluit omdat het UWV niet alle informatie van de revalidatie-instelling had betrokken, maar achtte dit niet ernstig genoeg om het besluit te vernietigen, mede gezien de verantwoordelijkheid van appellante zelf. De ziekmelding van augustus 2002 werd geaccepteerd, maar leidde niet tot een andere conclusie over haar geschiktheid. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld aan appellante vanaf 1 juli 2002.