ECLI:NL:CRVB:2006:AY8757
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Weigering ziekengeld wegens intreding arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar niet gerechtvaardigd
Betrokkene werkte vanaf maart 2003 als steigerbouwer en viel in mei 2003 uit wegens rug- en knieklachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde ziekengeld op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ziektewet (ZW), omdat arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar na aanvang van de verzekering te verwachten zou zijn geweest.
De bezwaarverzekeringsarts bracht een rapport uit waarin werd gesteld dat knieklachten in februari 2003 mogelijk verband hielden met latere uitval, maar dit rapport bood volgens de Raad onvoldoende basis om te concluderen dat de gezondheidstoestand bij aanvang van de verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar met zekerheid moest doen verwachten.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat betrokkene niet redelijkerwijs kon weten dat zijn klachten zo ernstig waren dat uitval binnen zes maanden te verwachten was. De Raad bevestigde daarom het vernietigende oordeel van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld wordt vernietigd.