ECLI:NL:CRVB:2006:AY8618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering uit 1990 wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant, die sinds 1990 een WAO-uitkering ontving, kreeg deze uitkering ingetrokken per 7 januari 1991 na een besluit van het UWV. Appellant heeft destijds geen bezwaar gemaakt, waardoor het besluit onherroepelijk werd. Jaren later verzocht appellant het besluit te herzien, stellende dat hij destijds niet door een verzekeringsarts was gekeurd en dat hij sindsdien zieker is geworden.
De UWV wees het verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de klachten en omstandigheden die appellant nu aanvoert, al bekend waren ten tijde van het oorspronkelijke besluit. Ook het ontbreken van een beroepsclausule in het besluit van 1990 werd door de Raad niet geloofd als reden voor het uitblijven van bezwaar.
In hoger beroep werd het beroep van appellant eveneens ongegrond verklaard. De Raad stelde vast dat het verzoek om uitstel van behandeling wegens ziekte van de gemachtigde niet werd ingewilligd, mede vanwege het late tijdstip en de geringe complexiteit van de zaak. De Raad concludeerde dat het UWV bevoegd was het verzoek af te wijzen en dat het bestreden besluit terecht in stand bleef.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het niet-terugkomen op het intrekkingsbesluit van de WAO-uitkering uit 1990 is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.