ECLI:NL:CRVB:2006:AY8251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-verwijtbare werkloosheid
Betrokkene was sinds 1990 in dienst van het Kadaster en werd op 1 september 2004 ongevraagd ontslagen wegens het niet voldoen aan actuele kwaliteits- en geschiktheidseisen. Na het ontslag vroeg betrokkene een WW-uitkering aan die aanvankelijk werd toegekend. Appellant 1 (Kadaster) maakte bezwaar, waarna appellant 2 (Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen) het bezwaar gegrond verklaarde en de uitkering introk wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat onvoldoende was aangetoond dat betrokkene zich verwijtbaar had gedragen en het besluit onvoldoende was gemotiveerd. In hoger beroep bestreden appellanten dit oordeel, stellende dat het disfunctioneren en gedrag van betrokkene verwijtbaar waren en dat het besluit wel voldoende was gemotiveerd.
De Raad overwoog dat verwijtbare werkloosheid betekent dat betrokkene zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit tot ontslag zou leiden. Uit de beoordelingsrapporten bleek sprake van onvoldoende functioneren door fouten, maar deze gedragingen waren niet verwijtbaar jegens de werkgever. Betrokkene had bovendien pogingen tot verbetering ondernomen. Er waren geen aanwijzingen voor onheus gedrag na een waarschuwing in 2003.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat betrokkene niet verwijtbaar werkloos is geworden. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en griffierechten werden opgelegd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat betrokkene niet verwijtbaar werkloos is en vernietigt het besluit tot weigering van de WW-uitkering.