ECLI:NL:CRVB:2006:AY8243

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-578 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente

Bij besluit van 24 februari 1994 kende het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) aan betrokkene een WW-uitkering toe met een vastgesteld dagloon. Na een verzoek van betrokkene in mei 2001 verhoogde het UWV het dagloon met terugwerkende kracht per 1 februari 1994. Vervolgens weigerde het UWV wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, maar verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en kende rente toe over de periode van 1 augustus 2001 tot 25 februari 2003.

De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat het UWV vanaf 1 maart 1994 wettelijke rente verschuldigd was. Het UWV erkende de onrechtmatigheid, maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene moesten komen, omdat het dagloon destijds was vastgesteld op basis van verstrekte gegevens en betrokkene pas na acht jaar om herziening vroeg.

De Raad onderschreef het standpunt van het UWV dat het verzoek binnen de wettelijke beslistermijn had moeten worden behandeld, wat niet gebeurde. Hierdoor was de rentevergoeding vanaf 1 augustus 2001 terecht toegekend. Echter, het bestreden besluit kon niet standhouden omdat het UWV had verzuimd rente over rente toe te kennen. De Raad bevestigde de vernietiging van het besluit, zij het op andere gronden dan de rechtbank had gedaan.

Ten slotte veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van betrokkene, vastgesteld op €644 voor rechtsbijstand. Het UWV moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens het niet toekennen van rente over rente en het UWV moet een nieuw besluit nemen en proceskosten betalen.

Uitspraak

04/578 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 december 2003, 03/938 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 24 februari 1994 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 1 februari 1994 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van betrokkene van 30 mei 2001 heeft appellant bij besluit van 18 december 2002 het WW-dagloon met volledig terugwerkende kracht verhoogd.
Bij besluit van 21 maart 2003 heeft appellant geweigerd wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, bij bestreden besluit op bezwaar van 23 juni 2003 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2003 gegrond verklaard en aan gedaagde over de periode 1 augustus 2001 tot 25 februari 2003 wettelijke rente toegekend.
Volgens de rechtbank moet het besluit van 24 februari 1994 als onrechtmatig worden aangemerkt en de rechtbank is van oordeel dat appellant ingaande 1 maart 1994 wettelijke rente is verschuldigd.
Appellant erkent dat het besluit van 24 februari 1994 onrechtmatig was, maar vindt dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van acht jaar verzocht om herziening van het dagloon.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005 (LJN: AU8835) onderschrijft de Raad het standpunt van appellant.
Zoals uit die uitspraak ook blijkt, had appellant wel binnen de wettelijke beslistermijn op het op 31 mei 2001 ontvangen verzoek van betrokkene van 30 mei 2001 moeten beslissen. Door dit eerst op 18 december 2002 te doen is die termijn overschreden. Terecht heeft appellant in verband daarmee besloten ingaande 1 augustus 2001 wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden.
Het voorgaande betekent echter niet dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Ter zitting is gebleken dat appellant heeft verzuimd rente over rente toe te kennen. De rechtbank heeft dan ook het bestreden besluit terecht vernietigd, zij het op onjuiste gronden. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.
De Raad ziet in één en ander aanleiding appellant te veroordelen tot betaling van de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.
EK2406