ECLI:NL:CRVB:2006:AY8174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Geen recht op ziekengeld bij vermindering arbeidsduur zonder beëindiging dienstbetrekking
Betrokkene was werkzaam op basis van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd bij een stichting, waarbij de arbeidsduur per 1 januari 2003 werd verminderd van 26 naar 16 uur per week. Na ziekmelding op 2 december 2002 weigerde het UWV ziekengeld toe te kennen, stellende dat de dienstbetrekking voortduurde en er geen recht op ziekengeld bestond.
De rechtbank had het besluit vernietigd omdat zij oordeelde dat de strikte uitleg van artikel 29, tweede lid, onder c ZW ertoe leidde dat het ziekterisico volledig voor rekening van betrokkene kwam, wat niet de bedoeling van de wetgever was. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit oordeel en stelde dat de wetgever slechts een vangnetvoorziening heeft gecreëerd voor situaties waarin de dienstbetrekking geheel eindigt tijdens ziekte, niet voor situaties van vermindering van arbeidsduur.
De Raad stelde vast dat de vermindering van arbeidsduur onderdeel was van de arbeidsovereenkomst en geen gedeeltelijke beëindiging van de dienstbetrekking vormde. Betrokkene bleef dezelfde functie uitoefenen en werd betaald volgens dezelfde salarisschaal. Hierdoor was geen sprake van beëindiging in de zin van artikel 29, tweede lid, onder c ZW.
De Centrale Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het inleidend beroep van het UWV ongegrond. Hiermee werd bevestigd dat bij vermindering van arbeidsduur zonder beëindiging van de dienstbetrekking geen recht op ziekengeld bestaat.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat vermindering van arbeidsduur geen beëindiging van de dienstbetrekking is en bevestigt dat betrokkene geen recht heeft op ziekengeld.