ECLI:NL:CRVB:2006:AY7978
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep UWV-besluit
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin haar beroep tegen een besluit van het UWV niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. De rechtbank oordeelde dat appellante niet in verzuimvrijstelling kon worden toegelaten omdat zij niet tijdig het besluit had ontvangen en haar gemachtigde geen actie had ondernomen om het ontbrekende besluit op bezwaar te verkrijgen.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet geen hoger beroep mogelijk is tegen uitspraken van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad beschouwt het verzoek van appellante als hoger beroep, maar verklaart zich onbevoegd omdat het appèlverbod van toepassing is.
Hoewel de gemachtigde van appellante betoogde dat er sprake was van een fundamentele procesrechtelijke schending die doorbreking van het appèlverbod zou rechtvaardigen, oordeelt de Raad dat daarvan geen sprake is. Appellante heeft haar standpunten voldoende kunnen toelichten binnen de gestelde termijnen en er is geen evidente schending van de goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen vastgesteld.
De Raad verklaart zich daarom onbevoegd en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd het hoger beroep te behandelen wegens het appèlverbod van artikel 8:55 Awb.