ECLI:NL:CRVB:2006:AY7683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking ANW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding en afwijzing schadevergoeding
Appellante ontving een ANW-uitkering die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd ingetrokken omdat zij vanaf oktober 1997 een gezamenlijke huishouding zou voeren met een andere persoon. Na onderzoek en een vragenformulier leefvorm AOW/ANW concludeerde de Svb dat aan de criteria voor gezamenlijke huishouding was voldaan, waaronder het hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse verzorging.
Appellante voerde aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde en dat het formulier onjuist was ingevuld, maar deze stelling werd verworpen omdat het formulier in samenspraak met haar schoonzoon naar waarheid was ingevuld en de verklaringen van betrokkenen dit bevestigden. Ook was er geen sprake van commerciële onderhuur.
De Raad stelde vast dat ook een meerpersoonshuishouding bestond in de betreffende periode, mede door de aanwezigheid van haar dochter. Het besluit van de Svb om de uitkering in te trekken werd bevestigd omdat geen dringende redenen waren om hiervan af te zien.
Het hoger beroep tegen het eerdere besluit werd niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De Svb werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en de intrekking van de ANW-uitkering is bevestigd; het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.