ECLI:NL:CRVB:2006:AY7653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 1997 een WAO-uitkering ontving vanwege schouderklachten en artrose, werd in 2004 opnieuw medisch en arbeidskundig beoordeeld. Het UWV trok zijn uitkering per 14 november 2004 in omdat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot onder de 15%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het besluit was gebaseerd op een deugdelijke medische en juiste arbeidskundige grondslag. Appellant voerde aan dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hadden gehouden met zijn beperkingen, met name van zijn rechterschouder, en dat artrose een voortschrijdende ziekte is.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts zowel de linker- als rechterschouder had onderzocht en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) verantwoord was vastgesteld op basis van uitgebreid onderzoek en dossierinformatie. Het verzoek van appellant om aanvullend medisch onderzoek werd afgewezen.
De Raad concludeerde dat de aan appellant voorgehouden functies in overeenstemming waren met de FML en dat het UWV-besluit rechtsgeldig was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid.