ECLI:NL:CRVB:2006:AY7200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken inkomensverlies niet onredelijk
Betrokkene ontving een WAO-uitkering vanaf 2 november 1996 wegens arbeidsongeschiktheid. Vanaf 1 januari 2001 werkte zij 70% bij haar werkgever en verdiende meer dan het maatmaninkomen, wat leidde tot intrekking van haar WAO-uitkering met terugwerkende kracht. De rechtbank Arnhem oordeelde dat betrokkene niet redelijkerwijs had kunnen weten dat zij ten onrechte een uitkering ontving en verklaarde het beroep van betrokkene gegrond.
In hoger beroep stelde het UWV dat het voor iedere leek duidelijk moest zijn dat bij de hogere verdiensten geen sprake meer was van inkomensverlies, en dat de intrekking terecht was. Betrokkene handhaafde haar standpunt dat dit niet duidelijk was, mede omdat zij steeds haar inkomsten had doorgegeven.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het voor betrokkene redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat haar hogere inkomsten gevolgen hadden voor haar uitkering. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van het UWV ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien tot het opleggen van proceskosten.
De uitspraak benadrukt dat bij intrekking van uitkeringen met terugwerkende kracht de redelijkheid en duidelijkheid voor de betrokkene centraal staan, maar dat bij duidelijke inkomenssituaties terugvordering gerechtvaardigd kan zijn.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht blijft gehandhaafd.