Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AY6834

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04/2794 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • M. Greebe
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering maatman

Appellant was werkzaam bij een rozenkwekerij toen hij uitviel wegens psychische klachten en een WAO-uitkering kreeg toegekend. Na intrekking van de uitkering in 1998 en diverse korte werkperiodes, kreeg appellant in 2001 opnieuw een WAO-uitkering toegekend. Het UWV trok deze uitkering in 2002 in op basis van een herbeoordeling waarbij de functie van medewerker rozenkwekerij als maatman werd gehanteerd.

Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking, dat werd afgewezen. In hoger beroep stelt de Raad vast dat de medische beperkingen juist zijn ingeschat, maar dat het UWV onvoldoende heeft toegelicht waarom de functie van rozenkwekerij als maatman wordt aangehouden in plaats van een van de later vervulde functies, zoals medewerker bij de bloemenveiling.

De Raad oordeelt dat het redelijker is een van de laatst of langst vervulde functies als maatman te hanteren bij de beoordeling. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering van de maatmanfunctie.

Uitspraak

04/2794 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2004, 03/276 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hoebba. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was via een uitzendbureau voor 29 uur per week werkzaam bij een rozenkwekerij, toen hij op 25 september 1996 uitviel met psychische klachten. In verband daarmee is hem per 24 september 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is per 5 september 1998 ingetrokken. Nadien heeft appellant een aantal (korte) perioden gewerkt, afgewisseld met perioden van ziekte of uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Na een nieuwe ziekmelding op
6 september 2001 is aan appellant per 4 oktober 2001 een WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% toegekend. In het kader van de eerstejaarsherbeoordeling is appellant op 21 december 2001 onderzocht door een verzekeringsarts die op basis van de diagnose schizofrene stoornis psychische beperkingen aannam op de aspecten 28 A, D, E, I en J. Na functieselectie berekende een arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit op 0%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 10 april 2002 de WAO-uitkering van appellant per
12 mei 2002 ingetrokken. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van
12 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts, die bij zijn onderzoek beschikte over informatie van de behandelend psychiater van appellant, de door de primaire verzekeringsarts aangenomen beperkingen heeft bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts te twijfelen. Dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden zou hebben en op grond daarvan volledig arbeidsongeschikt zou zijn, vindt geen bevestiging in de beschikbare medische informatie, waaronder informatie van de behandelend psychiater. In dat verband wijst de Raad erop dat de behandelend psychiater uitgaat van een GAF-score van 75, hetgeen impliceert dat appellant arbeid moet kunnen verrichten. Ook voor een urenbeperking, zoals door appellant bepleit, geven de medische stukken geen aanwijzing. Gezien het vorenstaande ziet de Raad geen aanleiding appellant door een medisch deskundige te laten onderzoeken.
De berekening van de restverdiencapaciteit van appellant berust op de loonwaarde van de functies modinette, monteuse loopwerken en samensteller hydraulische componenten. De Raad is van oordeel dat deze functies gelet op de voor appellant aangegeven beperkingen voor hem geschikt kunnen worden geacht. Voor zover op de verwoordingen functiebelasting van deze functies overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant zijn aangegeven, acht de Raad de aanvaardbaarheid daarvan door het Uwv voldoende toegelicht.
De Raad is niettemin van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv, desgevraagd, onvoldoende gemotiveerd waarom de functie van medewerker rozenkwekerij voor 29 uur per week, die appellant heeft verricht van 5 augustus 1996 tot 25 september 1996, ook bij de onderhavige schatting als maatman wordt gehanteerd in plaats van één van de nadien vervulde functies. Na de eerdere intrekking van de WAO-uitkering in 1998 heeft appellant van 9 april 1999 tot 30 juni 1999 gewerkt bij de bloemenveiling Aalsmeer voor 38 uur per week. Vanaf
4 december 2000 verrichte hij schoonmaakwerkzaamheden voor 38 uur per week. Na zes weken is hij hiervoor uitgevallen wegens ziekte. Op 12 juni 2001 is appellant weer bij de bloemenveiling gaan werken. Per 23 augustus 2001 heeft hij daar ontslag genomen in verband met toename van zijn klachten. Op 3 september 2001 is hij gaan werken als autopoetser. Op
6 september 2001 is hij hiervoor uitgevallen. Weliswaar moet aan het Uwv worden toegegeven dat voormelde functies, naar later is gebleken, voor appellant ongeschikt waren, maar datzelfde gold voor de functie van medewerker rozenkwekerij. Naar het oordeel van de Raad ligt het in de rede bij de onderhavige WAO-beoordeling, die plaats vindt in het kader van de intrekking van de WAO-uitkering na een nieuwe toekenning, een van de laatst vervulde functies, bijvoorbeeld de langst vervulde functie van medewerker bij de bloemenveiling Aalsmeer voor 38 uur per week, als maatman te hanteren.
Gelet op het vorenstaande wordt het bestreden besluit niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en dient het wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2006.
(get.) Ch. Van Voorst.
(get.) J.J. Janssen.