ECLI:NL:CRVB:2006:AY6834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering maatman
Appellant was werkzaam bij een rozenkwekerij toen hij uitviel wegens psychische klachten en een WAO-uitkering kreeg toegekend. Na intrekking van de uitkering in 1998 en diverse korte werkperiodes, kreeg appellant in 2001 opnieuw een WAO-uitkering toegekend. Het UWV trok deze uitkering in 2002 in op basis van een herbeoordeling waarbij de functie van medewerker rozenkwekerij als maatman werd gehanteerd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking, dat werd afgewezen. In hoger beroep stelt de Raad vast dat de medische beperkingen juist zijn ingeschat, maar dat het UWV onvoldoende heeft toegelicht waarom de functie van rozenkwekerij als maatman wordt aangehouden in plaats van een van de later vervulde functies, zoals medewerker bij de bloemenveiling.
De Raad oordeelt dat het redelijker is een van de laatst of langst vervulde functies als maatman te hanteren bij de beoordeling. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering van de maatmanfunctie.