ECLI:NL:CRVB:2006:AY6548
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding bevestigd door Centrale Raad van Beroep
De Sociale verzekeringsbank (Svb) had betrokkene vanaf april 2001 een AOW-uitkering toegekend volgens de norm voor ongehuwden. Na constatering dat betrokkene samenwoonde met een ander persoon, [betrokkene 2], werd een onderzoek ingesteld. Op basis van een ingevuld vragenformulier, een huisbezoek en een checklist concludeerde de Svb dat betrokkene vanaf 24 augustus 2002 een gezamenlijke huishouding voerde, waarop de AOW-uitkering werd herzien naar de gehuwdennorm.
De rechtbank Breda oordeelde echter dat sprake was van een kostgangersrelatie en vernietigde het besluit van de Svb. De Svb ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Deze stelde vast dat aan het eerste criterium, het delen van een hoofdverblijf, was voldaan. Het tweede criterium, wederzijdse verzorging, werd getoetst aan objectieve criteria zoals financiële verstrengeling en gezamenlijke kosten.
De Raad vond voldoende aanwijzingen in het dossier, waaronder het buitendienstrapport en de checklist, dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. De bijdrage van [betrokkene 2] van €225 per maand werd niet als commerciële vergoeding gezien, maar als een bijdrage in de huishoudkosten. De Raad verwierp het betoog van betrokkene dat sprake was van een kostgangersrelatie, mede omdat geen contract of betalingsbewijzen waren overlegd.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het bezwaar van de Svb ongegrond. De herziening van de AOW-uitkering werd daarmee bevestigd met ingang van 1 september 2002. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De herziening van de AOW-uitkering naar de gehuwdennorm per 1 september 2002 wordt bevestigd.