ECLI:NL:CRVB:2006:AY6138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Geen recht op vervolguitkering WW wegens eerste werkloosheidsdag na 11 augustus 2003
Appellante was werkzaam bij een thuiszorgstichting op basis van een tijdelijk contract dat op 12 mei 2003 eindigde. Vanwege ziekte viel zij vanaf oktober 2002 uit en ontving zij tot 6 oktober 2003 een Ziektewetuitkering. Na afloop van deze periode vroeg zij een WW-uitkering aan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) kende haar een loongerelateerde WW-uitkering toe vanaf 6 oktober 2003, maar weigerde een vervolguitkering omdat de maximale duur was bereikt.
Appellante stelde dat haar eerste werkloosheidsdag op 12 mei 2003 lag, de dag waarop haar contract eindigde, en dat zij ondanks ziekte beschikbaar was voor passend werk. De Raad oordeelde echter dat de eerste werkloosheidsdag pas op 6 oktober 2003 viel, omdat de Ziektewetuitkering een uitsluitingsgrond vormt volgens artikel 19 van Pro de WW. Hierdoor viel haar eerste werkloosheidsdag na de wettelijke grensdatum van 11 augustus 2003.
De Raad verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat arbeidsongeschikte en arbeidsgeschikte werknemers volgens de wet verschillend worden behandeld. De rechtbank en de Raad concludeerden dat appellante geen recht heeft op een vervolguitkering WW. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op vervolguitkering WW omdat haar eerste werkloosheidsdag na 11 augustus 2003 ligt.