ECLI:NL:CRVB:2006:AY5586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid vernietigd wegens onvoldoende verwijtbaarheid werkgever
Appellant was sinds 1997 werkzaam bij een werkgever en werd in 2003 door de kantonrechter ontslagen. Na zijn ontslag vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant zich verwijtbaar had gedragen en onvoldoende had geprobeerd het conflict met de werkgever op te lossen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet hoefde te voorzien dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden, dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en dat de werkgever een groot aandeel had in het conflict, waardoor sprake was van verminderde verwijtbaarheid. De Raad oordeelde dat de werkgever een aanzienlijk aandeel had in het ontstaan en voortduren van de conflictsituatie, onder meer door het onjuist en traag handelen, zoals de onterechte op non-actief stelling en het niet tijdig informeren over werkroosters.
De Raad concludeerde dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate valt te verwijten en vernietigde de eerdere uitspraak en het UWV-besluit. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak en werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd omdat de werkloosheid niet in overwegende mate aan appellant valt te verwijten.