ECLI:NL:CRVB:2006:AY5579

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4417 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWB
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en onduidelijke woonsituatie

Appellante diende op 13 januari 2005 een aanvraag om bijstand in bij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem. Zij gaf een adres op als briefadres en verklaarde een kamer te huren, maar weigerde de naam en het adres van de kamerverhuurder te verstrekken. Het College vroeg meerdere malen om nadere informatie over haar feitelijke verblijfplaats, maar appellante gaf die niet.

Hierdoor kon het College niet vaststellen of zij recht had op bijstand en wees de aanvraag bij besluit van 10 maart 2005 af. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 9 mei 2005 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter bevestigde dit oordeel in een uitspraak van 8 juni 2005. Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat appellante gehouden was haar woon- en leefsituatie te verduidelijken op grond van artikel 17, eerste lid, WWB. Haar vrees om haar slaapplaats te verliezen mocht niet leiden tot het niet verstrekken van deze gegevens. Door de weigering kon het College niet vaststellen of zij recht had op bijstand. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen vanwege het niet verstrekken van de gevraagde informatie over de feitelijke woonsituatie.

Uitspraak

05/4417 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 8 juni 2005, 05-1983 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)
Datum uitspraak: 18 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2006. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.E. Zandbergen, werkzaam bij de gemeente Haarlem.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante heeft op 13 januari 2005 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) ingediend. Op het in verband daarmee ingevulde inlichtingenformulier heeft zij als (brief)adres [adres] te [woonplaats] vermeld. Voorts heeft zij aangegeven sinds december 2004 een kamer te huren voor € 200,-- per maand en niet dak- en/of thuisloos te zijn. De vraag naar de naam en het adres van de kamerverhuurder heeft zij onbeantwoord gelaten.
Omdat [adres] het adres is van de [naam Stichting], heeft het College appellante gevraagd waar zij feitelijk verblijft. Nadat appellante had geweigerd de gevraagde informatie te verstrekken, heeft het College bij besluit van 10 maart 2005 de aanvraag afgewezen op de grond dat, zolang de woonsituatie van appellante onduidelijk blijft, haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Bij besluit van 9 mei 2005 heeft het College onder meer het tegen het besluit van 10 maart 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak - voor zover hier van belang - heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 mei 2005 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Voor de beantwoording van de vraag of appellante recht heeft op bijstand en naar welke norm de bijstand dan dient te worden vastgesteld, zijn controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en leefsituatie van appellante van doorslaggevend belang. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB is appellante gehouden die gegevens aan het College te verstrekken. De namens appellante aangevoerde omstandigheid dat zij de kans loopt haar slaapplaats kwijt te raken indien zij aan het College opgave doet van haar feitelijke verblijfplaats, kan aan die gehoudenheid van appellante niet afdoen.
Vaststaat dat het College appellante diverse malen heeft verzocht haar feitelijke verblijfadres aan hem kenbaar te maken en dat appellante even zovele malen heeft geweigerd die informatie te verstrekken. Met het College en de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante daarmee tekort is geschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of zij ten tijde van haar aanvraag recht op bijstand had. De aanvraag van appellante om bijstand heeft het College dan ook terecht afgewezen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.M. van Male als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) M. Renden.