ECLI:NL:CRVB:2006:AY5537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag bestuurder
Appellant trad op 14 juli 2003 in dienst als bestuurder van een werkgever en kreeg op 2 januari 2004 mondeling ontslag per 1 februari 2004. Na het beëindigen van de dienstbetrekking vroeg appellant op 16 maart 2004 een WW-uitkering aan, die door het Uwv werd geweigerd omdat appellant niet werkloos zou zijn geworden of verwijtbaar werkloos was geworden door medewerking aan het ontslag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant in het ontslag had berust en dat de dienstbetrekking pas eindigde bij een reguliere beëindiging. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het ontslag als bestuurder volgens artikel 2:244 BW Pro was gegeven en dat de rechtbank zich baseerde op niet in het besluit genoemde gronden.
De Raad overwoog dat verwijtbare werkloosheid ook geldt bij medewerking aan ontslag op initiatief van de werkgever en dat het ontslag als bestuurder in principe ook de arbeidsrelatie beëindigt. Het ontbreken van relevante stukken over het ontslag en het feit dat appellant onvoldoende meewerkte aan het verstrekken van informatie, leidde tot de conclusie dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af. De beslissing werd uitgesproken door H.G. Rottier op 19 juli 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid van appellant.