ECLI:NL:CRVB:2006:AY5330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkomen op nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht volgens Inkomens- en samenloopbesluit Anw
Betrokkene ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), die sinds 1998 deels inkomensafhankelijk is. In 2001 werd de uitkering herzien op basis van een vastgesteld inkomen, waarbij een nabetaling van het pensioen door PGGM in december 2001 leidde tot een te hoge uitkering over de periode februari tot en met december 2001.
Appellant, de Sociale Verzekeringsbank (Svb), besloot de uitkering met terugwerkende kracht te herzien en het te veel betaalde bedrag terug te vorderen. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en onvoldoende inzicht in de inkomensvaststelling. De Raad stelde echter vast dat betrokkene bekend was met de inkomensafhankelijkheid en dat de nabetaling duidelijk betrekking had op de genoemde periode.
De Raad oordeelde dat de herziening en terugvordering niet onredelijk waren en dat appellant terecht het te veel betaalde bedrag over de juiste periode had toegerekend. De eerdere vernietiging van het herzieningsbesluit werd bevestigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het beroep tegen de terugvordering werd ongegrond verklaard, waarmee de terugvordering rechtmatig is.
De Raad vond geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en heffing van recht. De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw en het rechtszekerheidsbeginsel bij terugvordering van onverschuldigde uitkeringen.
Uitkomst: De terugvordering van te veel betaalde nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht is rechtmatig en het beroep tegen de terugvordering wordt ongegrond verklaard.