ECLI:NL:CRVB:2006:AY5229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering wegens inkomsten uit uitzendwerk
Appellant ontving vanaf 1996 een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In de periode van mei 1999 tot augustus 2000 genoot hij inkomsten uit uitzendwerk. Het UWV paste artikel 44 van Pro de WAO toe en verlaagde de uitkering naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarop het UWV deels tegemoetkwam door de uitkering over september 1999 aan te passen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de overige besluiten ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht artikel 44 toepaste Pro en dat appellant op de hoogte was van de gevolgen van zijn inkomsten op de uitkering. In hoger beroep voerde appellant aan dat de verlaging ten onrechte blijvend was en dat het UWV onterecht geen ‘vrije voet’ meer toepaste.
De Raad overwoog dat de verlaging niet blijvend was, omdat de besluiten telkens een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse voor een bepaalde periode bepaalden en dat vanaf augustus 2001 artikel 44 niet Pro meer werd toegepast. De Raad vond dat het UWV terecht artikel 44 toepaste Pro gezien de vastgestelde inkomsten en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de berekening onjuist was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering op grond van artikel 44 WAO is terecht toegepast en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.