ECLI:NL:CRVB:2006:AY5016
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag en toekenning toeslag op grond van de Toeslagenwet
Appellant ontvangt sinds 1983 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en is daarnaast werkzaam in zijn eigen bedrijf. Na ontvangst van de jaarstukken over 2002 heeft het Uwv appellant een aanvraagformulier voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegestuurd. Appellant heeft dit ingevuld en teruggestuurd, waarna het Uwv hem een toeslag toekende met ingang van 29 september 2002, één jaar voor de datum van de aanvraag.
Appellant betwistte de ingangsdatum en stelde dat hij geen nieuwe aanvraag had hoeven doen omdat hij al een toeslag ontving die niet was beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Raad overwoog dat het recht op toeslag per 1 mei 1998 was geëindigd en dat een nieuwe aanvraag vereist was volgens artikel 11 van Pro de TW.
De Raad oordeelde dat het Uwv terecht het veiligstellings- en voorschotbeleid hanteerde en dat appellant geen bijzonder geval had gesteld dat een eerdere ingangsdatum rechtvaardigde. Onbekendheid met de regels vormt geen bijzonder geval. De aangevallen uitspraak werd vernietigd op procedurele gronden, maar het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toeslag is terecht toegekend met ingang van 29 september 2002.