ECLI:NL:CRVB:2006:AY4823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging overname niet-genoten vakantiedagen na faillissement werkgever
Appellante was werkzaam bij een werkgever die op 29 juli 2003 failliet werd verklaard. Zij was per 2 juni 2003 op non-actief gesteld en kreeg ontslag per 31 augustus 2003. Appellante verzocht het UWV om overname van betalingsverplichtingen, waaronder niet-genoten vakantiedagen.
Het UWV nam een aantal vakantiedagen over, maar trok 88 uur (juni 2003) en 80 uur (juli/augustus 2003) af als reeds opgenomen vakantie. Appellante betwistte dit, stellende dat de 88 uur geen vooraf ingeroosterde vakantie was maar een noodzakelijk verblijf wegens familieomstandigheden en dat de 80 uur een eenzijdig door de werkgever vastgestelde verplichte vakantie was, in strijd met artikel 7:638 BW Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de brief van de werkgever inzake de reis naar Kreta duidde op goedkeuring van vakantie en dat de collectieve vakantie tijdig was aangekondigd met mogelijkheid tot ontheffing. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het UWV de uren terecht heeft afgetrokken. Proceskostenvergoeding wordt niet toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht 88 uur en 80 uur vakantie heeft afgetrokken van het vakantietegoed van appellante.