ECLI:NL:CRVB:2006:AY4800
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Weigering terug te komen op intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 19 juli 1991 waarbij haar arbeidsongeschiktheidsuitkeringen werden ingetrokken wegens afname van haar arbeidsongeschiktheid. Het UWV wees dit verzoek op 4 juli 2003 af, en de rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat nieuwe medische rapporten van een psychiater en een neuroloog nieuwe inzichten boden die rechtvaardigen dat het UWV het oorspronkelijke besluit heroverweegt. Het UWV stelde dat deze rapporten geen nieuwe feiten bevatten, maar slechts een andere waardering van reeds bekende omstandigheden.
De Raad overwoog dat een bestuursorgaan bevoegd is om ambtshalve besluiten te heroverwegen, maar dat bij een weigering om terug te komen op een eerder onherroepelijk besluit de rechter zich moet beperken tot de vraag of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn. De Raad concludeerde dat appellante geen nieuwe feiten had aangedragen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad merkte op dat het rapport van Groot reeds in eerdere procedures was betrokken en dat de analyse van het rapport van dr. Busard door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gaf tot herziening van het besluit. Het bestreden besluit is aldus adequaat onderbouwd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op het besluit tot intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten.