ECLI:NL:CRVB:2006:AY4797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door niet werken op zaterdag vanwege geloofsovertuiging
Appellant was werkzaam als verkoper in wisseldienst waarbij hij ook op zaterdag moest werken. Op grond van zijn joodse geloofsovertuiging weigerde hij vanaf april 2004 om op vrijdagavond en zaterdag te werken. De werkgever weigerde hieraan tegemoet te komen en waarschuwde appellant dat niet verschijnen als werkweigering zou worden beschouwd.
Appellant verscheen op 24 april en 8 mei 2004 niet op het werk, ondanks waarschuwingen, waarna hij op staande voet werd ontslagen. Het UWV weigerde vervolgens de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn weigering voortvloeide uit zijn grondwettelijk recht op godsdienstvrijheid, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verwijtbaar gedrag jegens de werkgever zwaarder woog. De Raad stelde vast dat appellant wist dat niet verschijnen tot ontslag zou leiden en dat het UWV terecht het recht op WW-uitkering had geweigerd.
De Raad verwierp het beroep op artikel 6 Grondwet Pro omdat de toepassing van verwijtbare werkloosheid geen belemmering vormt voor de vrije uitoefening van godsdienst. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door niet werken op zaterdag ondanks waarschuwingen.