ECLI:NL:CRVB:2006:AY4604
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellant, die sinds 1990 werkzaam was bij een WSW-werkgever, werd de WAO-uitkering geweigerd omdat het UWV aannam dat hij reeds volledig arbeidsongeschikt was bij aanvang van zijn WAO-verzekering op 11 juli 1990. Deze formele benadering werd echter niet langer onderschreven door het UWV zelf.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende concrete en overtuigende medische en arbeidskundige gegevens had overgelegd die de volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering konden staven. Hoewel er aanwijzingen waren van frequent ziekteverzuim vanaf juli 1990, ontbraken gegevens over de aard, ernst en beperkingen van de hoofdpijnklachten die appellant sinds zijn jeugd had.
De Raad concludeerde dat appellant mogelijk vanaf medio februari 1991 regelmatig verzuimde, maar daarvoor een periode van ruim zeven maanden normaal had gefunctioneerd. Hierdoor was het besluit van het UWV om de volledige arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten onterecht en in strijd met de wet.
De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit werden vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt verplicht een nieuw besluit te nemen en schadevergoeding te betalen.