ECLI:NL:CRVB:2006:AY3770

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-5059 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 6:15 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid inleidend beroep wegens ontbreken van bezwaar tegen UWV-besluit

Appellante verzocht het UWV om uitbetaling van een vermeende niet-uitgekeerde WAO-uitkering over de periode van 12 april 1996 tot 30 juni 1999. Het UWV reageerde met een brief waarin werd medegedeeld dat het bezwaar niet in behandeling wordt genomen vanwege een eerdere bezwaarprocedure in 2000, die door appellante was ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante onbevoegd omdat de brief van het UWV geen besluit in de zin van de Awb was.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat appellante eerst bezwaar had moeten maken tegen het UWV-besluit, conform artikel 7:1 Awb Pro, en dat het inleidend beroep bij de rechtbank daarom niet-ontvankelijk is. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beveelt dat het ingediende beroepschrift wordt doorgezonden aan het UWV om als bezwaarschrift te worden behandeld.

De Raad merkt op dat het UWV bij de behandeling rekening mag houden met eerdere onherroepelijke beslissingen over de uitbetaling. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend aan appellante omdat daarvoor geen grond is aangetoond. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 juli 2006.

Uitkomst: Het inleidend beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift wordt doorgezonden als bezwaarschrift aan het UWV.

Uitspraak

04/5059 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2004, 03/3140 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze Raad van 12 november 2004, nr. 04/5558 WAO-VV, is appellantes verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet afgewezen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar zoon [zoon]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Appellante heeft bij brief van 16 mei 2003 aan het Uwv verzocht om haar
WAO-uitkering over de periode van 12 april 1996 tot 30 juni 1999, die haars inziens nog niet is uitgekeerd, uit te betalen.
Het Uwv heeft daarop bij brief van 3 juli 2003 gereageerd met de mededeling dat het door appellante ingediende bezwaarschrift van 16 mei 2003 niet in behandeling zal worden genomen in verband met het feit dat over de onderhavige kwestie reeds in het jaar 2000 een bezwaarprocedure is gevoerd waarbij appellante het bezwaar ter hoorzitting heeft ingetrokken. Tevens heeft het Uwv er op gewezen dat van zijn kant reeds diverse malen uitvoerig aan appellante en haar gemachtigden is uitgelegd dat er ten aanzien van eerdergenoemde periode verrekening met een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet heeft plaatsgevonden.
Appellante is tegen de brief van het Uwv van 3 juli 2003 in beroep gegaan. De rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen. Zij heeft daartoe overwogen dat de brief van 3 juli 2003, gelet op de vorm en de inhoud, niet is gericht op enig rechtsgevolg en derhalve, nu daarbij niet meer dan informatie ter zake is neergelegd, niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In hoger beroep heeft appellante verzocht een zodanig besluit te nemen dat haar
WAO-uitkering over de periode van 12 april 1996 tot 30 juni 1999, die haars inziens nog niet is uitgekeerd, alsnog wordt uitbetaald.
De Raad heeft de vraag te beantwoorden of de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard van het beroep kennis te nemen.
Op grond van het volgende beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.
In artikel 7:1 van Pro de Awb is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen eerst tegen dat besluit bezwaar dient te maken, behoudens in een aantal uitzonderingsgevallen. De Raad constateert dat de brief van 3 juli 2003 een eerste reactie op het verzoek van appellante van 16 mei 2003 is, waartegen niet direct beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld, maar waarop het voorschrift van artikel 7:1 van Pro de Awb van toepassing is. Geen van de in de Awb bepaalde uitzonderingen op de hoofdregel, eerst bezwaar maken, doet zich hier voor. Zoals de Raad eerder heeft overwogen - zie onder meer zijn uitspraak van 7 maart 1996, LJN: AL0621, en de in die uitspraak vermelde uitspraak van 16 november 1995, LJN: ZB5546 - ziet de Raad, gegeven ook de centrale plaats van de bezwaarschriftenprocedure in de Awb, geen grond voor verdergaande uitzonderingen.
De aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand blijven en appellantes inleidende beroep bij de rechtbank dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Onder analoge toepassing van artikel 6:15 van Pro de Awb, dat ingevolge artikel 6:24 van Pro die wet in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, dient het bij de rechtbank ingediende beroepschrift, dat zich bevindt onder de bij de Raad aanwezige gedingstukken, te worden doorgezonden aan het Uwv ten einde te worden behandeld als bezwaarschrift. De Raad merkt hierbij op dat het Uwv bij de behandeling van de onderhavige zaak in aanmerking mag nemen dat het al eerder een onherroepelijke beslissing over de door appellante verzochte uitbetaling heeft gegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en R.C Stam en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.
CVG