ECLI:NL:CRVB:2006:AY3229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellant was in dienst bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Na een onterechte schriftelijke waarschuwing door de werkgever, die niet werd ingetrokken, verzocht appellant de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welke werd toegewezen met een vergoeding.
Het UWV weigerde vervolgens de WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid, omdat appellant redelijkerwijs had kunnen blijven werken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende had onderbouwd waarom voortzetting van het dienstverband niet van hem kon worden gevergd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de waarschuwing en de dreiging van degradatie, gecombineerd met een slechte werkrelatie en medische omstandigheden, voortzetting onmogelijk maakten. De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de weigering van de WW-uitkering onterecht te achten.
De Raad benadrukte dat de werkgever meerdere malen had aangegeven appellant te willen behouden en een andere passende functie had aangeboden. De medische situatie en ziekmelding boden geen voldoende grond om voortzetting van het dienstverband uit te sluiten.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd, waarmee de weigering van de WW-uitkering stand hield.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.