ECLI:NL:CRVB:2006:AY2556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande met toeslag, terwijl hij vanaf 15 februari 2000 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn voormalige echtgenote. Het College beëindigde de uitkering en vorderde terugbetaling van de toeslag over de periode 1 november 1998 tot 31 oktober 2003.
De Raad oordeelt dat het College onterecht de artikelen van de Algemene bijstandswet (Abw) toepaste en dat de bevoegdheid tot herziening en terugvordering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) moet worden beoordeeld. Uit feiten en verklaringen blijkt dat appellant pas vanaf 15 februari 2000 feitelijk samenwoonde met zijn ex-partner.
Daarom is de terugvordering over de periode vóór die datum niet gerechtvaardigd. De Raad vernietigt het besluit van 24 augustus 2004, verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat het College een nieuw besluit moet nemen over de terugvordering, met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen over de terugvordering vanaf 15 februari 2000.