ECLI:NL:CRVB:2006:AY2413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het tijdstip van aanvraag en bijzonder geval bij WAZ-uitkering
Appellante diende op 24 januari 2000 een aanvraag in voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ, met een arbeidsongeschiktheidsdatum van 20 december 1995. Het UWV weigerde de uitkering eerder toe te kennen dan een jaar voor de aanvraagdatum, omdat appellante vanaf 1 januari 1998 in staat werd geacht de aanvraag te doen.
Appellante stelde dat zij vanwege haar psychische gezondheidstoestand tussen 1995 en 1998 niet in staat was een aanvraag te doen en dat zij pas eind 1999 door de Gemeentelijke Sociale Dienst werd gewezen op de mogelijkheid van een WAZ-uitkering. Zij voerde aan dat er sprake was van een bijzonder geval dat een eerdere uitkering zou rechtvaardigen.
De rechtbank verwierp deze gronden en oordeelde dat appellante vanaf begin 1999 in redelijkheid een aanvraag had kunnen doen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat onbekendheid met de wettelijke mogelijkheden geen verontschuldigingsgrond is. Er is onvoldoende medisch bewijs dat appellante ook na 1998 niet in staat was een aanvraag te doen, zodat het bezwaar ongegrond is en het besluit van het UWV standhoudt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om de uitkering niet eerder toe te kennen dan een jaar voor de aanvraagdatum wordt bevestigd.