ECLI:NL:CRVB:2006:AY2221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatmanfunctie en maatmaninkomen bij WAO-schatting na arbeidsongeschiktheid
Appellant viel in 1998 wegens ernstige hartproblemen uit zijn functie als directeur van een beveiligingsbedrijf en ontving vanaf 1999 een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na beëindiging van het dienstverband startte appellant een onderneming als mediator en managementadviseur. De inkomsten uit deze onderneming over 2001 leidden tot een korting van de WAO-uitkering.
Appellant stelde dat zijn maatmaninkomen hoger moest worden vastgesteld, omdat hij zonder gezondheidsproblemen een beter betaalde directeursfunctie binnen het concern zou hebben bekleed, en dat zijn zelfstandige functie als mediator als maatgevend moest gelden. De Raad oordeelde dat de stelling over een hogere directeursfunctie onvoldoende werd onderbouwd en dat de hoofdregel geldt dat de maatmanfunctie de laatstelijk vervulde functie vóór arbeidsongeschiktheid is.
Verder verwierp de Raad het beroep om de zelfstandige functie als maatgevend te nemen, omdat dit niet past binnen de WAO-regeling. Het beroep van appellant werd afgewezen en de bestreden uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vastgestelde maatmanfunctie en maatmaninkomen worden bevestigd.