ECLI:NL:CRVB:2006:AY1928

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/5775 MPW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring verzoek om herziening wegens te late griffierechtbetaling afgewezen

Verzoeker diende een verzoek om herziening in tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Verzoeker betaalde het griffierecht pas ruim na de gestelde termijn, namelijk op 24 februari 2006, terwijl de termijn was gesteld in een brief van 1 november 2005.

Verzoeker maakte bezwaar tegen deze niet-ontvankelijkverklaring door middel van verzet. Tijdens de zitting op 8 juni 2006 verscheen verzoeker in persoon, terwijl de Staatssecretaris van Defensie zich niet liet vertegenwoordigen. De Raad oordeelde dat verzoeker geen gegronde argumenten had aangevoerd om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen.

De Raad benadrukte dat volgens artikel 8:41 in Pro samenhang met artikel 8:88, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het griffierecht verplicht is bij een verzoek om herziening en dat van deze dwingendrechtelijke bepalingen niet kan worden afgeweken. Het principiële standpunt van verzoeker dat er geen griffierecht verschuldigd zou zijn wegens vermeende fouten in eerdere uitspraken, werd niet aanvaard.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 juni 2006.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening wordt ongegrond verklaard vanwege te late betaling van het griffierecht.

Uitspraak

05/5775 MPW-V
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het verzoek om herziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 juni 2004, 03/4375 MPW,
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: de Staatssecretaris)
Datum uitspraak: 29 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 16 februari 2006 heeft de Raad het door verzoeker ingediende verzoek om herziening van de door de Raad op 10 juni 2004, 03/4375 MPW gegeven uitspraak, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 16 februari 2006 heeft verzoeker verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2006. Verzoeker is in persoon verschenen. De Staatssecretaris heeft zich, zoals aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Het verzoek om herziening van verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is betaald.
Het griffierecht is eerst op 24 februari 2006, derhalve ruim na de bij brief van 1 november 2005 gestelde termijn, ter griffie van de Raad ontvangen.
De Raad is van oordeel dat verzoeker in het verzetschrift en ter zitting geen argumenten naar voren heeft gebracht die tot gegrondverklaring van het verzet kunnen leiden.
Hiertoe heeft de Raad overwogen dat verzoekers principiële standpunt, dat er geen griffierecht verschuldigd is voor het verzoek om herziening nu er zowel in beroep als in hoger beroep een foutieve uitspraak is gedaan, geen argument is om de termijn-overschrijding te excuseren. In artikel 8:41 in Pro samenhang met artikel 8:88, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is voorgeschreven dat van de indiener van een verzoek om herziening een griffierecht wordt geheven. Van deze dwingendrechtelijke bepalingen kan niet worden afgeweken.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2006.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) O.C. Boute.
HD
26.06