ECLI:NL:CRVB:2006:AY0749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat gezamenlijke huishouding vanaf juni 2002 bestond bij beëindiging bijstandsuitkering
Appellante ontving sinds december 2000 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder, die in april 2004 werd beëindigd nadat het College van burgemeester en wethouders van Roermond had vastgesteld dat zij vanaf 1 juni 2002 een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene zonder dit te melden. De rechtbank had het bezwaar tegen de intrekking van de bijstand ongegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.
In hoger beroep betwistte appellante dat de gezamenlijke huishouding al vanaf juni 2002 bestond, maar erkende wel dat deze vanaf augustus 2003 bestond. De Raad beoordeelde de feiten aan de hand van artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet en concludeerde dat ondanks het aanhouden van afzonderlijke adressen, sprake was van feitelijke samenwoning in de woning van appellante. Dit werd ondersteund door verklaringen van beide partijen aan de sociale recherche en een buurtonderzoek.
Verder bleek uit het onderzoek dat er sprake was van wederzijdse verzorging en gezamenlijke kostenbetaling, zoals boodschappen, autokosten en hulp bij de opvoeding van kinderen. Hierdoor moest appellante worden beschouwd als gehuwd en was zij geen zelfstandig bijstandsgerechtigde. De Raad oordeelde dat het College terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken en verwierp het beroep van appellante op proceskostenvergoeding voor eigen bijdrage bij toevoeging.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, behalve dat de rechtsgevolgen van het besluit van het College in stand bleven. De Raad wees erop dat de strafrechtelijke beoordeling van valsheid in geschrifte niet bindend is voor de bestuursrechter.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering vanaf 1 juni 2002 wordt bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.