ECLI:NL:CRVB:2006:AY0651
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding bevestigd
Appellant ontving sinds 1996 een bijstandsuitkering voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een vermoeden van samenwoning met betrokkene heeft de sociale recherche onderzoek gedaan, waaronder dossieronderzoek, huisbezoek en getuigenverklaringen. Op basis hiervan beëindigde het College de bijstand per 1 mei 2003 wegens gezamenlijke huishouding en een gezamenlijk inkomen dat de bijstandsnorm overschrijdt.
Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het College en bevestigd door de rechtbank. In hoger beroep stelt de Centrale Raad van Beroep vast dat het College niet langer het standpunt handhaaft dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, waardoor het eerdere besluit vernietigd wordt.
De Raad oordeelt dat appellant en betrokkene wel degelijk een gezamenlijke huishouding voeren, ondanks het aanhouden van verschillende woonadressen, omdat feitelijk sprake is van samenwonen in de woning van betrokkene. Dit betekent dat appellant niet als alleenstaande bijstandsgerechtigde kan worden beschouwd. De beëindiging van de bijstand per 1 mei 2003 blijft daarom rechtsgeldig. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, maar het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De bijstandsuitkering is terecht beëindigd wegens gezamenlijke huishouding, ondanks vernietiging van het bezwaarbesluit.